De Overlegwet: rechten, termijnen en een model-adviesaanvraag
De Overlegwet geeft huurders een stem in het beleid van hun verhuurder. Wil een woningcorporatie of een andere verhuurder met minstens 25 woongelegenheden iets veranderen, bijvoorbeeld aan het onderhoud, de huurprijzen of de servicekosten, dan informeert de verhuurder eerst de huurdersorganisatie of bewonerscommissie en vraagt om advies. Verandert de verhuurder de manier waarop servicekosten worden berekend, verdeeld of afgerekend, dan is ook instemming van de huurdersorganisatie nodig.
Stuurt u als verhuurder een adviesaanvraag, dan kunt u de model-adviesaanvraag gebruiken. Die is ook als Word-bestand te downloaden. Moet u als huurdersorganisatie of bewonerscommissie een adviesaanvraag beantwoorden, dan vindt u een voorbeeld van een adviesbrief in de gids over het beantwoorden van een adviesaanvraag.
- 6wekenZoveel tijd krijgen de huurdersorganisatie en de bewonerscommissie minstens voor overleg en advies.
- 14dagenWijkt de verhuurder af van het advies, dan volgt binnen die tijd een schriftelijke uitleg.
- 25woningenVanaf dat aantal geldt de wet ook voor verhuurders die geen corporatie zijn. Woonwagens en standplaatsen tellen mee.
- 3dagenPer jaar biedt de verhuurder de bestuursleden van de huurdersorganisatie minstens drie dagen scholing aan.
Het adviestraject
Van adviesaanvraag tot uitvoering
De termijnen uit de artikelen 4 en 5 van de Overlegwet op een tijdlijn, en wat er gebeurt als de verhuurder van het advies afwijkt.
- Het voornemen
- De redenen
- De gevolgen voor de huurders
- De stukken
- Een termijn van minstens zes weken
- Aanvraag ontvangendag 0, artikel 4
- Overlegbinnen de termijn, artikel 5 lid 1
- Adviesdag 42, artikel 5 lid 1Advies volledig gevolgdgeen uitleg nodig, artikel 5 lid 2
- Uitleg bij afwijkenontvangen dag 56, artikel 5 lid 2
- Uitvoerenvanaf dag 60, artikel 5 lid 3
Het advies bindt de verhuurder niet. Wie afwijkt, legt binnen veertien dagen schriftelijk uit waarom en wacht daarna nog drie dagen. Is de afwijking niet onderbouwd, of kon de verhuurder niet in redelijkheid afwijken, dan kan de Huurcommissie of de kantonrechter op verzoek bepalen dat het besluit niet wordt uitgevoerd (artikel 19a lid 2 Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte en artikel 8 lid 3 Overlegwet).
De Overlegwet in het kort
Huurders praten meestal mee via een huurdersorganisatie, zoals een huurdersvereniging of huurdersstichting, of via de bewonerscommissie van hun complex. Ook een individuele huurder kan de verhuurder om informatie vragen over het beleid en beheer (artikel 3).
Voor de wet is een verhuurder een woningcorporatie, of een eigenaar met minstens 25 woongelegenheden in Nederland die voor verhuur bestemd zijn (artikel 1). Woongelegenheden zijn woningen, woonwagens en standplaatsen. Volgens de Huurcommissie tellen zelfstandige woningen in de sociale huur en in de vrije sector allebei mee, onzelfstandige woningen en recreatiewoningen niet. Ook wie met een volmacht namens zo'n eigenaar optreedt, geldt als verhuurder. Volgens de Huurcommissie geldt ook een beheerder van in totaal minstens 25 woongelegenheden als verhuurder, ook als de eigenaar zelf minder woningen heeft.
De verhuurder beslist zelf. Wel moeten de huurders op tijd weten wat er speelt en erover kunnen meepraten. Volgt de verhuurder hun advies niet, dan horen zij waarom. Slaat de verhuurder een stap over, dan kan de Huurcommissie of de kantonrechter de uitvoering van een plan opschorten tot die stap alsnog is gezet (artikel 8 Overlegwet en artikel 19a Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, hierna Uhw).
In een schriftelijke overeenkomst kunnen de verhuurder en de huurdersorganisatie of bewonerscommissie meer bevoegdheden afspreken dan de wet geeft (artikel 6). Zo'n samenwerkingsovereenkomst kan de rechten alleen uitbreiden, niet inperken. Een voorbeeld voor een bewonerscommissie staat in de gids over de samenwerkingsovereenkomst met een bewonerscommissie.
Het recht op informatie, overleg en advies
Vraagt de huurder, de bewonerscommissie of de huurdersorganisatie erom, dan informeert de verhuurder zo snel mogelijk en schriftelijk over het beleid en beheer dat rechtstreeks met hun woningen en de woonomgeving te maken heeft (artikel 3 lid 1). Artikel 3 lid 2 noemt de onderwerpen waarvoor dat in elk geval geldt.
- Het onderhoud van de woningen en de directe omgeving, en voorzieningen die de verhuurder aanbrengt.
- Slopen, renoveren, kopen, verkopen en bezwaren van woningen.
- Het toewijzings- en verhuurbeleid.
- De algemene huurvoorwaarden.
- Het beleid voor de huurprijzen.
- De samenstelling, de kwaliteit en de prijs van het pakket diensten dat bij het wonen hoort.
- Een voorstel tot fusie.
- De leefbaarheid en de herstructurering van buurten en wijken.
- Huisvesting voor ouderen, mensen met een beperking en mensen die zorg of begeleiding nodig hebben.
- Afspraken over servicekosten, tot 2027 ook over nutsvoorzieningen met een eigen meter, en over het beheer van de woningen.
- De uitspraken van de klachtencommissie van de verhuurder.
Bij onderhoud en huurprijzen gaat de informatie over de komende twaalf maanden, met een indicatie voor de jaren daarna (artikel 3 lid 4). De verhuurder hoeft geen informatie te geven als het bedrijfsbelang zich daartegen verzet (artikel 3 lid 3). De Huurcommissie noemt als voorbeeld de details van een fusie in een vroeg stadium. Bij een geschil kijkt zij of de verhuurder zich terecht op het bedrijfsbelang beriep en de weigering zorgvuldig uitlegde.
Informatie uit eigen beweging
Wil de verhuurder iets veranderen aan een van deze onderwerpen, dan moet de verhuurder de huurdersorganisatie en de bewonerscommissie daar uit eigen beweging en schriftelijk over informeren (artikel 4 lid 1). Daarbij horen de redenen voor het voornemen en de gevolgen voor de huurders (artikel 4 lid 2). Volgens de Huurcommissie is de lijst voor deze plicht gesloten. Gaat een voornemen over iets anders, dan hoeft de verhuurder niet uit zichzelf te informeren. Voor de individuele huurder geldt deze plicht niet.
Overleg, advies en een eigen agenda
Daarna hebben de huurdersorganisatie en de bewonerscommissie minstens zes weken om met de verhuurder te overleggen en, als zij dat willen, schriftelijk te adviseren (artikel 5 lid 1). Hoe de procedure verloopt, leest u bij de adviesaanvraag en de termijnen.
Daarnaast kunnen de huurdersorganisatie en de bewonerscommissie om overleg vragen over informatie die zij van de verhuurder kregen. De verhuurder moet dan met hen overleggen (artikel 5b lid 2). Minstens één keer per jaar is er bovendien een algemeen overleg, los van een concreet plan (artikel 5b lid 3). Voor elk overleg mogen de huurdersorganisatie en de bewonerscommissie onderwerpen op de agenda zetten. De verhuurder kan dat alleen met redenen weigeren (artikel 5b lid 4). Een huurdersorganisatie hoeft dus niet te wachten tot de verhuurder met een plan komt.
Bij een woningcorporatie komt daar het overleg over de prestatieafspraken bij. Dat zijn afspraken over de uitvoering van het volkshuisvestingsprogramma van de gemeente. Elk jaar vraagt de corporatie uiterlijk 1 april om overleg met de gemeente en met de huurdersorganisaties en bewonerscommissies (artikel 44 Woningwet). Hoe u dat als huurdersorganisatie aanpakt, leest u in de gids over prestatieafspraken voor huurdersorganisaties.
Deskundigen, adressen en scholing
Elke partij mag een deskundige meenemen naar een overleg, als dat voor een onderwerp redelijkerwijs nodig is en de anderen het op tijd weten (artikel 5b lid 5). Een huurdersorganisatie mag een deskundige in het overleg ook om inlichtingen vragen. Ook mag zij de deskundige om een schriftelijk advies vragen (artikel 5d). Voor de huurdersorganisatie vallen de kosten daarvan onder de kostenvergoeding van artikel 7. De verhuurder en de bewonerscommissie betalen hun eigen deskundige zelf.
Vraagt de huurdersorganisatie of een groep van minstens drie huurders erom, dan geeft de verhuurder zo snel mogelijk een lijst met de adressen van de woongelegenheden die de verhuurder in Nederland verhuurt (artikel 5c). De lijst is bedoeld voor het oprichten, organiseren en vertegenwoordigen van een huurdersorganisatie. Zo kan een organisatie alle huurders bereiken, ook wie geen lid is.
De verhuurder biedt de bestuursleden van de huurdersorganisatie elk jaar scholing aan. Welke scholing zij nodig hebben, bepalen de bestuursleden zelf (artikel 5e lid 1). Het aantal dagen spreken verhuurder en huurdersorganisatie samen af, met drie dagen per jaar als ondergrens (artikel 5e lid 2). Hoe deze rechten in de praktijk werken, leest u in het artikel over de vijf rechten van de huurdersorganisatie naast het adviesrecht.
Instemmingsrecht van de huurdersorganisatie
Bij één onderwerp is advies niet genoeg. Wil de verhuurder het beleid veranderen voor het vaststellen van de servicekosten en de kosten van nutsvoorzieningen met een eigen meter, dan is vooraf instemming van de huurdersorganisatie nodig (artikel 5a). Een bewonerscommissie en een individuele huurder hebben dat recht niet.
Volgens de Huurcommissie gaat het om de manier waarop de verhuurder servicekosten berekent, over de huurders verdeelt en met hen afrekent. Denk aan een nieuwe verdeelsleutel of een andere manier van afrekenen. Voor de samenstelling, de kwaliteit en de prijs van het pakket zelf geldt het gewone adviesrecht (artikel 3 lid 2 onder f).
Zijn er meer huurdersorganisaties bij dezelfde verhuurder, dan moeten ze allemaal instemmen. De wet noemt geen termijn voor de instemming. Verhuurder en huurdersorganisatie kunnen een termijn afspreken in de samenwerkingsovereenkomst. Weigert de huurdersorganisatie, dan kan de verhuurder het geschil voorleggen aan de Huurcommissie of de kantonrechter (artikel 8). Volgens de Huurcommissie is de vraag dan of de weigering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Vanaf 1 januari 2027 noemt artikel 5a de nutsvoorzieningen met een eigen meter niet meer apart, omdat die kosten dan onder de servicekosten vallen. Verandert een verhuurder bij de overstap naar de nieuwe regels de manier van berekenen, verdelen of afrekenen, dan is daarvoor instemming nodig.
Fusie en renovatie
Buiten de Overlegwet weegt de mening van huurders op nog twee momenten zwaar. Bij een fusie van een woningcorporatie overlegt de corporatie met de huurdersorganisaties over het verzoek om goedkeuring, en hun zienswijze gaat mee naar de minister. Stemmen de huurdersorganisaties niet in, dan keurt de minister de fusie niet goed, op een paar uitzonderingen na (artikel 53 Woningwet).
Wil de verhuurder renoveren terwijl de huurovereenkomst doorloopt, dan doet de verhuurder elke huurder een schriftelijk voorstel. Is dat voorstel redelijk, dan moet de huurder de renovatie toelaten (artikel 7:220 lid 2 Burgerlijk Wetboek, hierna BW). Gaat de renovatie over tien of meer woningen die een bouwkundige eenheid vormen, dan wordt vermoed dat het voorstel redelijk is als minstens 70 procent van de huurders instemt. Een huurder die niet instemde, kan de rechter dan vragen over de redelijkheid te beslissen. Dat moet binnen acht weken nadat de verhuurder schriftelijk heeft gemeld dat 70 procent heeft ingestemd (artikel 7:220 lid 3 BW).
Het advies van de huurdersorganisatie gaat over het plan, de 70 procent over het voorstel aan elke huurder. Het een vervangt het ander niet.
Wie zich huurdersorganisatie mag noemen
Niet elke groep huurders is een huurdersorganisatie in de zin van de wet. Artikel 1 stelt zes eisen.
- Het is een vereniging of een stichting. Volgens de Huurcommissie mag een vereniging ook zonder notaris zijn opgericht.
- Het doel is de belangen van huurders te behartigen. Eén los doel, zoals het tegenhouden van sloop, is volgens de Huurcommissie in principe niet genoeg.
- De huurders die de organisatie vertegenwoordigt, kiezen of wijzen het bestuur aan, uit hun eigen midden.
- De organisatie houdt de huurders op de hoogte van wat zij doet en betrekt hen bij haar standpunten.
- Minstens één keer per jaar houdt zij een vergadering voor de huurders. Daar legt zij verantwoording af over het afgelopen jaar en bespreekt en stelt zij de plannen voor het nieuwe jaar vast.
- Alle huurders van de woningen of complexen waarvoor de organisatie opkomt, kunnen zich bij haar aansluiten.
Hoe zwaar de derde eis weegt, blijkt uit een uitspraak van de kantonrechter in Alkmaar uit 2020. Een huurdersstichting was geen huurdersorganisatie, omdat het bestuur volgens de statuten zichzelf benoemde. De huurders mochten alleen adviseren of een kandidaat voordragen, en het bestuur hoefde die voordracht niet te volgen (Rechtbank Noord-Holland 26 augustus 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:6725). Regel daarom in de statuten van een stichting dat de huurders het bestuur kiezen of aanwijzen. Hoe u dat bij de oprichting goed regelt, leest u in de gids over het oprichten van een huurdersvereniging. Wat een huurdersvereniging daarna doet, staat in de gids over de huurdersvereniging.
Meer huurdersorganisaties bij één verhuurder
Een verhuurder kan met meer huurdersorganisaties te maken hebben. De wet geldt dan voor allemaal, tenzij de verhuurder en die organisaties samen iets anders afspreken (artikel 2 lid 1). Is er één huurdersorganisatie voor alle woningen van de verhuurder, dan gelden organisaties die voor een of meer complexen opkomen in principe niet als huurdersorganisatie (artikel 2 lid 2). Dat is anders bij voornemens die rechtstreeks over hun complex gaan, zoals sloop of renovatie, de leefbaarheid in de wijk en afspraken over servicekosten (artikel 2 lid 2 onder a en lid 3). Daarover heeft de organisatie van het complex dan wel rechten. Ook kunnen de verhuurder en de huurdersorganisatie voor alle woningen iets anders afspreken (artikel 2 lid 2 onder b).
Een huurdersorganisatie kan ook huurders van meer verhuurders vertegenwoordigen. Volgens de Huurcommissie kunnen alleen de eigen huurders een verhuurder aanspreken op diens beleid. Een regionale koepel voert dus met elke verhuurder een eigen overleg.
De bewonerscommissie
Een bewonerscommissie is een commissie van bewoners van huurwoningen in één wooncomplex. Een wooncomplex is een groep van minstens 25 woongelegenheden dicht bij elkaar, die financieel, administratief, door de manier van bouwen of op een andere manier een eenheid vormen (artikel 1). De commissie hoeft geen vereniging of stichting te zijn. Voor een bewonerscommissie gelden wel drie van de eisen die ook voor een huurdersorganisatie gelden. Ze houdt de huurders op de hoogte en betrekt hen bij haar standpunten, ze houdt elk jaar een vergadering voor de huurders, en alle huurders van het complex kunnen zich bij haar aansluiten.
Volgens de Huurcommissie en de kantonrechter in Alkmaar is een commissie die voor meer complexen opkomt, geen bewonerscommissie in de zin van de wet. In de zaak uit Alkmaar ging het om een groep die optrad voor acht complexen in één buurt.
De verhuurder zorgt ervoor dat de bewonerscommissie haar werk kan doen (artikel 2a lid 1). Volgens de Huurcommissie betekent dat vooral dat de verhuurder de commissie niet hindert en een ruimte beschikbaar stelt om te vergaderen. Kan een commissie niet aannemelijk maken dat zij namens de bewoners van het complex met de verhuurder kan overleggen, dan mag de verhuurder besluiten haar niet als bewonerscommissie te erkennen (artikel 2a lid 2). Zijn er meer commissies voor hetzelfde complex, dan kan de verhuurder kiezen voor de commissie met de grootste achterban (artikel 2a lid 3). Wilt u zelf een bewonerscommissie oprichten, lees dan hoe u een bewonerscommissie opricht.
De adviesaanvraag en de termijnen
Een adviesaanvraag is de brief of mail waarmee de verhuurder, meestal de corporatie, een voornemen voorlegt aan de huurdersorganisatie of bewonerscommissie. Daarin staat wat de verhuurder wil veranderen, waarom, en wat dat voor de huurders betekent (artikel 4). Ook staat erin tot wanneer de organisatie kan reageren (artikel 5 lid 1). De procedure verloopt in vijf stappen.
De verhuurder informeert, schriftelijk en volledig
De verhuurder legt het voornemen, de redenen en de gevolgen voor de huurders schriftelijk vast, op papier of in een mail (artikel 4). Stuur de stukken mee waarop het voornemen steunt, zoals een offerte, een onderzoek of een begroting. Zonder de gevolgen voor de huurders is de aanvraag niet compleet.
Minstens zes weken voor overleg en advies
De verhuurder noemt zelf een termijn van minstens zes weken (artikel 5 lid 1). Volgens de Huurcommissie gaat die termijn pas in als de verhuurder alle vereiste informatie heeft gegeven. Ontbreekt er iets, dan begint de termijn dus pas als de aanvulling binnen is. Een langere termijn mag altijd. Wil de organisatie overleggen, dan plant de verhuurder dat overleg binnen de termijn.
Het advies
De organisatie mag schriftelijk adviseren, maar hoeft dat niet. Ze kan ook laten weten dat ze geen bezwaar heeft. Komt het advies te laat, dan mag de verhuurder het volgens de Huurcommissie niet zonder meer negeren. Het hangt ervan af of het late advies de belangen van de verhuurder schaadt.
Binnen veertien dagen een uitleg
Volgt de verhuurder het advies niet of niet helemaal, dan legt de verhuurder binnen veertien dagen na ontvangst schriftelijk uit waarom (artikel 5 lid 2). Alleen melden dat het advies niet wordt gevolgd, is volgens de Huurcommissie niet genoeg. Het advies is niet bindend, ook niet als de verhuurder de veertien dagen laat verlopen. Afwijken mag dus, als het goed is onderbouwd.
Pas daarna uitvoeren
De verhuurder mag het voornemen uitvoeren zodra de organisatie schriftelijk laat weten dat ze geen bezwaar heeft, zodra de termijn is verstreken, of drie dagen nadat de organisatie de schriftelijke uitleg heeft ontvangen (artikel 5 lid 3). Volgens de Huurcommissie gaat het bij de tweede mogelijkheid om een termijn die zonder advies is verstreken. Volgt de verhuurder een advies niet of niet helemaal, dan geldt dus de derde mogelijkheid. Volgt de verhuurder het advies volledig, dan is geen uitleg nodig. Wanneer uitvoeren dan mag, zegt de wet niet uitdrukkelijk. Wacht voor de zekerheid tot de termijn voorbij is, of vraag de organisatie schriftelijk te bevestigen dat ze geen bezwaar heeft.
De termijnen uit de Overlegwet
- VoorafInformatie over een voornemenUit eigen beweging en schriftelijk, voordat het voornemen wordt uitgevoerd.Artikel 4
- 6 wekenOverleg en adviesMinstens zes weken na de informatie. Volgens de Huurcommissie telt de termijn vanaf het moment dat de vereiste informatie er is.Artikel 5 lid 1
- 14 dagenUitleg als het advies niet wordt gevolgdBinnen veertien dagen na ontvangst van het advies.Artikel 5 lid 2
- 3 dagenUitvoeren na die uitlegDrie dagen nadat de organisatie de uitleg heeft ontvangen.Artikel 5 lid 3
- JaarlijksAlgemeen overlegMinstens één keer per jaar, los van een concreet voornemen.Artikel 5b lid 3
- 2 maandenVerantwoording van de kostenvergoedingBinnen twee maanden na afloop van het kalenderjaar.Artikel 7 lid 2
- 8 wekenNaar de rechter na een uitspraak van de HuurcommissieBinnen acht weken na verzending van de uitspraak.Artikel 8a
Aan wie de verhuurder advies vraagt
Gaat het voornemen over beleid voor alle woningen, dan hoeft de verhuurder volgens de Huurcommissie alleen de huurdersorganisatie voor alle huurders om advies te vragen. Gaat het om één complex, dan krijgt ook de bewonerscommissie van dat complex de aanvraag. Twijfelt u als verhuurder, stuur de aanvraag dan aan beide.
Leg als verhuurder vijf datums vast: de dag waarop de informatie compleet was, de termijn die u gaf, de dag waarop het advies binnenkwam, de dag van uw reactie en de dag waarop u het voornemen uitvoerde. Bij een geschil komt het vaak op die datums aan. Wilt u de procedure stap voor stap volgen, dan vindt u die met voorbeelden uit de praktijk in het artikel over de adviesaanvraag onder de Overlegwet.
Een huurdersorganisatie en een bewonerscommissie moeten de huurders betrekken bij hun standpunt (artikel 1). Bij een adviesaanvraag kan dat bijvoorbeeld met een peiling onder huurders of een bewonersavond. Hoe u het advies daarna opbouwt en verstuurt, staat in de gids Een adviesaanvraag van de corporatie beantwoorden.
Model-adviesaanvraag om te downloaden
Het model is een zakelijke brief van de verhuurder aan de huurdersorganisatie of bewonerscommissie. In de onderdelen 1 tot en met 5 staat wat volgens de artikelen 4 en 5 van de Overlegwet in een adviesaanvraag hoort. Onderdeel 6 hebt u alleen nodig als u ook om instemming vraagt (artikel 5a).
Zonder JavaScript werkt de download niet. U kunt de tekst van het model hieronder kopiëren.
Vul de velden tussen vierkante haken in. In Word zijn ze geel. De toelichting en de controlelijst staan in Word op een aparte laatste pagina, die u niet meestuurt. Onderdeel 6 is alleen nodig als de manier verandert waarop servicekosten worden berekend, verdeeld of afgerekend. Tot 1 januari 2027 geldt dat ook voor de kosten van nutsvoorzieningen met een eigen meter. Kijk ook of de samenwerkingsovereenkomst eigen afspraken bevat, bijvoorbeeld een langere termijn. Dit model is algemene informatie en geen juridisch advies.
- Van
- [naam corporatie of verhuurder]
- Aan
- [naam huurdersorganisatie of bewonerscommissie]
- Datum
- [datum]
- Kenmerk
- [kenmerk]
- Onderwerp
- Adviesaanvraag over [onderwerp]
[Geacht bestuur, of: Geachte leden van de bewonerscommissie],
Wij zijn van plan [het voornemen in één zin]. Met deze brief informeren wij u daarover en vragen wij uw advies, op grond van de artikelen 4 en 5 van de Wet op het overleg huurders verhuurder.
1. Het voornemen
Het voornemen gaat over [onderwerp uit artikel 3 lid 2 van de wet] en geldt voor [complexen, adressen of aantal woningen]. Wij willen het uitvoeren vanaf [datum].
Op dit moment [beschrijf de huidige situatie]. Na de wijziging [beschrijf de nieuwe situatie].
2. De redenen
Wij hebben dit voornemen omdat [de redenen voor het voornemen].
3. De gevolgen voor de huurders
- Huur en servicekosten: [bedrag per woning per maand, nu en na de wijziging, of: geen gevolgen].
- Tijdens de uitvoering: [overlast, duur en toegang tot de woning, of: geen gevolgen].
- Overige gevolgen: [de gevolgen, of: geen].
4. Overleg en advies
Wij bespreken het voornemen graag met u en stellen een overleg voor op [datum, tijd en plaats]. Past dit moment u niet, dan maken wij graag samen een andere afspraak.
U kunt ons tot en met [datum, minstens zes weken na ontvangst van deze brief] schriftelijk advies geven. Bij deze brief vindt u de stukken waarop het voornemen steunt. Mist u informatie die u voor uw advies nodig hebt, laat het ons dan zo snel mogelijk weten.
5. Na uw advies
Volgen wij uw advies niet of niet helemaal, dan laten wij u binnen veertien dagen na ontvangst van uw advies schriftelijk weten waarom. Wij voeren het voornemen dan niet eerder uit dan drie dagen nadat u onze uitleg hebt ontvangen (artikel 5 lid 2 en 3). Geeft u geen advies, dan wachten wij tot de termijn is verstreken. Hebt u geen bezwaar tegen het voornemen, dan horen wij dat graag schriftelijk.
6. [Alleen bij servicekosten of nutsvoorzieningen] Uw instemming
Met dit voornemen veranderen wij de manier waarop wij [de servicekosten, of: de kosten van nutsvoorzieningen met een eigen meter] [berekenen, verdelen of afrekenen]. Daarvoor hebben wij vooraf uw instemming nodig (artikel 5a). Wij vragen u ons uiterlijk [datum] te laten weten of u instemt. Stemt u niet in, laat ons dan ook weten waarom.
Voor vragen over deze brief kunt u terecht bij [naam], [functie], via [telefoonnummer] of [e-mailadres].
[Alleen als de brief ook naar een andere organisatie gaat:] Een kopie van deze brief gaat naar [naam organisatie].
Met vriendelijke groet,
[naam corporatie of verhuurder]
[naam], [functie]
- [titel bijlage 1]
- [titel bijlage 2]
Zo vult u het model in
- Het voornemen Gebruik voor het onderwerp de woorden van artikel 3 lid 2, bijvoorbeeld onderhoud, huurprijzen of het pakket diensten. Noem ook de complexen of woningen. Dan is duidelijk welke huurdersorganisatie of bewonerscommissie de brief moet krijgen. Kies een startdatum die ruimte laat voor de adviestermijn en voor uw reactie op het advies.
- De redenen Volgens artikel 4 lid 2 noemt u de redenen voor het voornemen. Hoe concreter u die noemt, hoe gerichter het advies kan zijn.
- De gevolgen voor de huurders Volgens artikel 4 lid 2 moet u ook de gevolgen voor de huurders noemen. Noem bedragen per woning per maand, niet alleen een totaal. Volgens de Huurcommissie gaat de adviestermijn pas lopen als de vereiste informatie er is.
- Overleg en advies De termijn is minstens zes weken na het verstrekken van de informatie uit artikel 4 (artikel 5 lid 1). Tel voor de zekerheid vanaf de dag waarop de organisatie de brief en alle stukken heeft, en stuur de brief per e-mail met een ontvangstbevestiging of aangetekend. Rond vakanties, of als de organisatie de huurders wil raadplegen, is een langere termijn verstandig.
- Na uw advies Zet de veertien dagen in de agenda zodra het advies binnen is. Leg per punt uit waarom u het advies wel of niet volgt. Alleen melden dat u afwijkt, is volgens de Huurcommissie niet genoeg. Komt het advies vroeg binnen, wacht dan voor de zekerheid ook tot de adviestermijn voorbij is.
- Uw instemming Neem dit onderdeel alleen op als de manier verandert waarop u servicekosten berekent, verdeelt of afrekent. Tot 1 januari 2027 geldt dat ook voor de kosten van nutsvoorzieningen met een eigen meter. Alleen een huurdersorganisatie heeft instemmingsrecht. Zijn er meer huurdersorganisaties, dan hebt u de instemming van allemaal nodig. Zwijgen is geen instemming. Weigert de huurdersorganisatie, dan kunt u het geschil voorleggen aan de Huurcommissie of de kantonrechter. Gaat het om de samenstelling of de prijs van het pakket, dan is advies genoeg.
Voordat u verstuurt
Voorbeeldplanning bij KernWonen
KernWonen, een verzonnen corporatie, vervangt het schoonmaakcontract voor negen complexen in Wijk Noord. De prijs per woning verandert, de verdeelsleutel blijft gelijk. Daarom is advies nodig en geen instemming.
- maandag2november 2026
KernWonen stuurt de adviesaanvraag naar KernWonen Huurderskoepel en naar de bewonerscommissies van de negen complexen. De offerte en een berekening per woning gaan mee.
Artikel 4 - woensdag4november 2026
De koepel bevestigt dat de brief en de stukken binnen zijn. Voor de zekerheid laat KernWonen de termijn vanaf die dag lopen. Zes weken later is het woensdag 16 december. Vanwege de feestdagen krijgt de koepel tot en met vrijdag 15 januari 2027.
Artikel 5 lid 1 - dinsdag24november 2026
Overleg over het voornemen. De koepel neemt een eigen deskundige mee en heeft dat een week van tevoren gemeld.
Artikel 5b lid 5 en 5d - donderdag7januari 2027
Het schriftelijke advies van de koepel komt binnen. Vanaf die dag lopen de veertien dagen.
Artikel 5 lid 2 - maandag18januari 2027
KernWonen neemt het advies deels over en legt per punt uit waarom. De uitleg gaat dezelfde dag per mail naar de koepel. De uiterste dag was donderdag 21 januari.
Artikel 5 lid 2 - vrijdag22januari 2027
De drie dagen na ontvangst van de uitleg zijn voorbij. Vanaf die dag mag KernWonen het voornemen uitvoeren. Het nieuwe contract gaat in op donderdag 1 april 2027.
Artikel 5 lid 3
KernWonen geeft de negen bewonerscommissies dezelfde termijn als de koepel. Adviseert een commissie zelf en volgt KernWonen dat advies niet, dan krijgt ook die commissie binnen veertien dagen een uitleg. Zou KernWonen de schoonmaakkosten anders over de woningen verdelen, dan was ook instemming van de koepel nodig (artikel 5a). Daarvoor is onderdeel 6 van het model.
Kostenvergoeding uit artikel 7
De verhuurder vergoedt de kosten die de huurdersorganisatie maakt voor haar taken uit de artikelen 3, 4, 5 en 5b. Het moet gaan om kosten die rechtstreeks met die taken samenhangen en daarvoor redelijkerwijs nodig zijn (artikel 7 lid 1). Artikel 7 noemt twee kostenposten uitdrukkelijk, namelijk de deskundigen van artikel 5d en de scholing van artikel 5e. Volgens de Huurcommissie horen ook het informeren van de huurders, het houden van verkiezingen en het organiseren van vergaderingen erbij.
Het gaat om een vast bedrag, niet om een declaratie achteraf. Verhuurder en huurdersorganisatie spreken per kalenderjaar een bedrag af, dat de organisatie naar eigen inzicht besteedt. Binnen twee maanden na afloop van het jaar legt zij verantwoording af. Kosten boven het afgesproken bedrag betaalt de verhuurder alleen als die daarmee instemt (artikel 7 lid 2).
De verhuurder hoeft volgens de Huurcommissie niet alle kosten van de organisatie te betalen. Een volledige financiering door de verhuurder zou de onafhankelijkheid van de huurdersorganisatie in gevaar brengen. De vergoeding mag ook in natura, bijvoorbeeld met een vergaderruimte. Legt de organisatie geen verantwoording af, dan kan de verhuurder dat alsnog eisen, op straffe van een dwangsom.
Juridische bijstand in een rechtszaak tegen de verhuurder valt niet onder de vergoeding. Dat oordeelde de kantonrechter in Amsterdam op 16 december 2025, omdat het beslechten van geschillen geen taak uit de Overlegwet is (ECLI:NL:RBAMS:2025:10187). Volgens dezelfde uitspraak geldt dat ook voor mediation en andere manieren om een geschil buiten de rechter om op te lossen. Een deskundige die het bestuur adviseert bij een overleg of een adviesaanvraag valt er wel onder, als de organisatie kan uitleggen waarom die deskundige nodig is. Zijn verhuurder en huurdersorganisatie het niet eens over de hoogte van de vergoeding, dan kan de Huurcommissie uitspreken welke vergoeding redelijk is (artikel 19a lid 3 Uhw).
Een bewonerscommissie heeft geen recht op een vergoeding uit artikel 7. Wel moet de verhuurder haar werk mogelijk maken (artikel 2a). Meer afspreken mag, bijvoorbeeld in een samenwerkingsovereenkomst. Welke posten wel en niet in de begroting horen, leest u in het artikel over de kostenvergoeding uit artikel 7 Overlegwet. Hoe de penningmeester de begroting en de verantwoording opbouwt, staat in de gids voor de penningmeester.
Rechten van bewonerscommissie en huurdersorganisatie naast elkaar
De huurdersorganisatie en de bewonerscommissie hebben veel rechten gemeen, maar niet alle. De individuele huurder heeft er maar een paar.
| Recht | Huurdersorganisatie | Bewonerscommissie | Huurder |
|---|---|---|---|
| Informatie op verzoekartikel 3 | Ja | Ja | Ja |
| Informatie uit eigen beweging over een voornemenartikel 4 | Ja | Ja, over het eigen complex | Nee |
| Overleg en advies, minstens zes wekenartikel 5 | Ja | Ja, over het eigen complex | Nee |
| Instemming bij het beleid voor de servicekostenartikel 5a | Ja | Nee | Nee |
| Jaarlijks overleg en onderwerpen agenderenartikel 5b | Ja | Ja | Nee |
| Een deskundige meenemen naar een overlegartikel 5b lid 5 | Ja, binnen de vergoeding van artikel 7 | Ja, op eigen kosten | Nee |
| Een deskundige om schriftelijk advies vragenartikel 5d | Ja, binnen de vergoeding van artikel 7 | Nee | Nee |
| De adressenlijst van de verhuurde woningenartikel 5c | Ja | Nee | Alleen als groep van minstens drie huurders, voor een huurdersorganisatie |
| Scholing van het bestuur, minstens drie dagen per jaarartikel 5e | Ja | Nee | Nee |
| Vergoeding van kostenartikelen 7 en 2a | Ja, een bedrag per kalenderjaar | Nee, wel de ruimte om het werk te doen | Nee |
| Een geschil voorleggenartikel 8 | Ja | Ja | Ja, over de eigen rechten |
In de praktijk werken de twee vaak samen. Een huurdersorganisatie voor alle woningen kijkt naar het beleid, een bewonerscommissie weet wat er in het eigen complex speelt. Werken ze allebei aan een advies over hetzelfde voornemen, spreek dan vooraf af wie wat schrijft. Zo spreken de adviezen elkaar niet tegen. Een geschil tussen een huurdersorganisatie en een bewonerscommissie over hun samenwerking behandelt de Huurcommissie niet.
Wat een bewonerscommissie mag en hoe ze werkt, leest u in de gids voor bewonerscommissies. De grensgevallen uit de rechtspraak staan in het artikel over bewonerscommissie en huurdersorganisatie.
Geschillen bij de Huurcommissie en de kantonrechter
Een geschil over de Overlegwet kan naar de Huurcommissie, met een schriftelijk verzoek, of naar de kantonrechter, met een verzoekschrift (artikel 8 lid 1 Overlegwet en artikel 4a Uhw). Allebei tegelijk kan niet. Huurders, huurdersorganisaties, bewonerscommissies en verhuurders kunnen allemaal een verzoek doen, maar alleen over rechten die de wet aan henzelf geeft. Beroept een individuele huurder zich op het adviesrecht, dan verklaart de Huurcommissie het verzoek niet-ontvankelijk.
Opschorten of tegenhouden
De Huurcommissie stelt vast of de verhuurder een verplichting uit de wet heeft geschonden. Gaat het om een voornemen dat nog niet is uitgevoerd en is de verzoeker benadeeld, dan kan zij de uitvoering opschorten tot het verzuim is hersteld (artikel 19a lid 1 Uhw). Ook kan de Huurcommissie op verzoek bepalen dat een besluit niet wordt uitgevoerd. Dat kan als de verhuurder zonder onderbouwing van het advies afwijkt, of als de verhuurder na afweging van de belangen niet in redelijkheid zo kon besluiten (artikel 19a lid 2 Uhw). De kantonrechter heeft dezelfde mogelijkheden (artikel 8 lid 2 en 3).
De Huurcommissie toetst terughoudend. Of het beleid verstandig is, beoordeelt zij niet. Wel kijkt zij of de procedure is gevolgd, en of een afwijking van het advies voldoende is onderbouwd en redelijk is.
Kosten en verloop
Wie een verzoek over de Overlegwet indient, betaalt € 100 aan leges (artikel 7a Uhw en artikel 4 lid 3 Besluit huurprijzen woonruimte). Ook wie gelijk krijgt, krijgt dat bedrag niet terug. Volgens de wet komt het alleen bij een schikking terug, en soms bij het intrekken van het verzoek. Dan gaat het om het hele bedrag of om de helft (artikel 7a lid 4 en artikel 7 lid 6 Uhw). Volgens het legesbeleid van de Huurcommissie gold de teruggave bij een schikking alleen als de Huurcommissie had bemiddeld. Die bemiddeling biedt zij niet meer aan. Reken er dus niet op dat u het bedrag terugkrijgt. In sommige gevallen kan de voorzitter vrijstelling geven (artikel 7a lid 3 Uhw).
De Huurcommissie doet geen onderzoek in de woning. Partijen onderbouwen hun standpunt zelf met stukken. In principe is er altijd een zitting. De uitspraak volgt binnen acht weken nadat de termijn voor het betalen van de leges is verstreken. De Huurcommissie kan de uitspraaktermijn met redenen verlengen (artikel 37 lid 1 Uhw).
Is een zaak duidelijk, bijvoorbeeld omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, dan kan de voorzitter van de Huurcommissie zonder zitting uitspraak doen (artikel 20 lid 1 Uhw). Daartegen kan een partij binnen drie weken in verzet (artikel 20 lid 6 Uhw). Onder de Wet toekomstbestendige huurcommissie wordt dat zes weken. Volgens de Rijksoverheid gaat die wet op 1 januari 2027 in. Een koninklijk besluit legt die datum vast, en dat besluit was op 16 oktober 2026 nog niet verschenen.
Wat de Huurcommissie vaststelt, geldt tussen partijen als afgesproken. Dat is anders als een van hen binnen acht weken na verzending van de uitspraak de rechter om een beslissing vraagt (artikel 8a).
Een procedure kan de verhouding op scherp zetten, ook voor wie gelijk krijgt. Begin daarom met een gesprek. Helpt dat niet, zet dan op papier wat er volgens u misgaat en noem daarbij het artikel uit de Overlegwet. Kies pas als laatste stap voor de Huurcommissie of de kantonrechter.
Nieuwe regels voor servicekosten en de Huurcommissie
Twee nieuwe wetten veranderen de Overlegwet.
Wet modernisering servicekosten, 1 januari 2027
Op 1 januari 2027 gaan de kosten van nutsvoorzieningen met een eigen meter op in de servicekosten (Staatsblad 2025, 156 en 2026, 82). Artikel 3 lid 2 onder j en artikel 5a noemen die kosten daarom niet meer apart. Voor huurovereenkomsten van vóór 1 januari 2027 blijven de oude servicekostenregels uit het Burgerlijk Wetboek gelden (artikel VI van die wet). Wat er verder verandert, leest u in de gids over servicekosten.
Wet toekomstbestendige huurcommissie
Met de Wet toekomstbestendige huurcommissie (Wth) krijgt artikel 3 van de Overlegwet een vijfde lid (Staatsblad 2026, 311, artikel IIA). Volgens de Rijksoverheid gaat die wet op 1 januari 2027 in. Een koninklijk besluit legt die datum vast, en dat besluit was op 16 oktober 2026 nog niet verschenen.
Volgens dat nieuwe lid stuurt de verhuurder het jaarlijkse overzicht van de servicekosten van een wooncomplex ook naar de huurdersorganisatie die voor de huurders van dat complex opkomt, op hetzelfde moment als naar de huurders. De plicht geldt tegenover de huurdersorganisatie, niet tegenover de bewonerscommissie. Het gaat om het overzicht uit artikel 7:259 lid 2 BW, dat de huurders uiterlijk zes maanden na afloop van het kalenderjaar moeten krijgen.
De regel kwam via een amendement van de Kamerleden Beckerman en De Hoop in de wet (Kamerstukken II 2025/26, 36 791, nr. 16). Volgens de toelichting kan de huurdersorganisatie de afrekening zo op tijd beoordelen en zo nodig een gezamenlijk verzoek bij de Huurcommissie indienen.
Ook de procedure bij de Huurcommissie verandert. Vraagt de voorzitter of de zittingsvoorzitter om nadere stukken, dan kan de termijn voor de uitspraak worden opgeschort (artikel I, onderdeel Q). De termijn voor verzet tegen een uitspraak van de voorzitter gaat van drie naar zes weken (artikel I, onderdeel N). Trekt een verzoeker het verzoek op tijd in, dan komt de helft van de leges alleen nog terug als de verzoeker een verhuurder is (artikel I, onderdeel H).
Tot de Wth ingaat, geldt de nieuwe plicht nog niet. Verhuurder en huurdersorganisatie kunnen wel nu al afspreken dat de afrekening ook naar de huurdersorganisatie gaat (artikel 5b lid 1 en artikel 6).
De evaluatie in 2027
Het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening gaat de Overlegwet evalueren. In de begroting voor 2027 staat de wet in het overzicht van evaluaties achteraf. Volgens dat overzicht moet het onderzoek nog beginnen en is de afronding gepland in 2027 (Kamerstukken II 2026/27, 37 020 XXII, nr. 2). Wat er precies wordt onderzocht, is nog niet bekend.
Huurdersorganisaties en verhuurders kunnen dan laten zien waar de wet in de praktijk knelt. Voorbeelden zijn adviesaanvragen zonder de gevolgen voor de huurders, discussies over de kostenvergoeding en bewonerscommissies die niet worden erkend. Wie dat nu met datums en stukken bijhoudt, kan er straks concreet over vertellen.
Veelgestelde vragen
De Overlegwet, voluit de Wet op het overleg huurders verhuurder, regelt wat huurders, huurdersorganisaties en bewonerscommissies te zeggen hebben over het beleid van hun verhuurder. Het gaat om informatie, overleg en advies. Verandert de verhuurder de manier waarop servicekosten worden berekend, verdeeld of afgerekend, dan is ook instemming van de huurdersorganisatie nodig. Een huurdersorganisatie heeft daarnaast recht op scholing en op een vergoeding van haar kosten. De wet geldt voor woningcorporaties en voor andere verhuurders met minstens 25 woongelegenheden in Nederland.
Een huurdersorganisatie krijgt op verzoek informatie over het beleid en beheer van de verhuurder (artikel 3). Wil de verhuurder iets veranderen aan een onderwerp uit de wet, dan informeert de verhuurder haar eerst en vraagt om advies (artikelen 4 en 5). Verandert de manier waarop servicekosten worden berekend, verdeeld of afgerekend, dan moet zij vooraf instemmen (artikel 5a). Verder mag zij om overleg vragen, onderwerpen op de agenda zetten, deskundigen inschakelen, een lijst met de adressen van de verhuurde woningen opvragen en elk jaar scholing volgen (artikelen 5b tot en met 5e). De kosten die daarvoor redelijkerwijs nodig zijn, vergoedt de verhuurder met een bedrag per kalenderjaar (artikel 7).
Ja, als de eigenaar minstens 25 woongelegenheden in Nederland verhuurt. Volgens de Huurcommissie tellen zelfstandige woningen in de sociale huur en in de vrije sector allebei mee, onzelfstandige woningen en recreatiewoningen niet. Ook wie met een volmacht namens zo'n eigenaar optreedt, geldt als verhuurder. Volgens de Huurcommissie geldt ook een beheerder van in totaal minstens 25 woongelegenheden als verhuurder, ook als de eigenaar zelf minder woningen heeft.
Nee. De verhuurder mag van het advies afwijken, maar moet dan binnen veertien dagen na ontvangst schriftelijk uitleggen waarom (artikel 5 lid 2). Bij een geschil kan de Huurcommissie of de kantonrechter die afwijking toetsen. Is die niet onderbouwd, of kon de verhuurder na afweging van de belangen niet in redelijkheid zo besluiten, dan kan de Huurcommissie of de kantonrechter bepalen dat het besluit niet wordt uitgevoerd (artikel 19a lid 2 Uhw en artikel 8 lid 3).
Onder de Overlegwet alleen als de verhuurder het beleid voor het vaststellen van de servicekosten wil wijzigen. Tot 1 januari 2027 geldt dat ook voor de kosten van nutsvoorzieningen met een eigen meter (artikel 5a). Volgens de Huurcommissie gaat het om de manier waarop de verhuurder servicekosten berekent, verdeelt en afrekent. Zijn er meer huurdersorganisaties, dan moeten ze allemaal instemmen. Buiten de Overlegwet hebben huurdersorganisaties ook een stem bij een fusie van een woningcorporatie. Stemmen ze niet in, dan keurt de minister de fusie niet goed, op een paar uitzonderingen na (artikel 53 Woningwet).
De adviestermijn is minstens zes weken, gerekend vanaf het moment dat de verhuurder de informatie over het voornemen heeft gegeven (artikel 5 lid 1). Volgens de Huurcommissie begint de termijn pas als alle vereiste informatie er is. Een langere termijn mag altijd. Volgt de verhuurder het advies niet of niet helemaal, dan legt de verhuurder binnen veertien dagen schriftelijk uit waarom. Drie dagen nadat de organisatie die uitleg heeft ontvangen, mag de verhuurder het voornemen uitvoeren.
In een adviesaanvraag staan het voornemen, de redenen ervoor en de gevolgen voor de huurders (artikel 4). Ook staat erin tot wanneer de organisatie kan adviseren. Die termijn is minstens zes weken (artikel 5 lid 1). Stuur ook de stukken mee waarop het voornemen steunt, zoals een offerte, een onderzoek of een berekening per woning. In het model op deze pagina komen die onderdelen terug.
Een bewonerscommissie heeft recht op informatie, overleg en advies over haar eigen complex (artikelen 3 tot en met 5). Ze mag ook onderwerpen op de agenda zetten en op eigen kosten een deskundige meenemen naar een overleg (artikel 5b). Instemmingsrecht, scholing en een vergoeding uit artikel 7 heeft alleen de huurdersorganisatie. De adressenlijst kan een bewonerscommissie niet vragen. Die lijst is er voor de huurdersorganisatie en voor een groep van minstens drie huurders (artikel 5c). Wel moet de verhuurder ervoor zorgen dat de bewonerscommissie haar werk kan doen, bijvoorbeeld met een ruimte om te vergaderen (artikel 2a).
De verzoeker betaalt € 100 aan leges (artikel 7a Uhw en artikel 4 lid 3 Besluit huurprijzen woonruimte). Ook wie gelijk krijgt, krijgt dat bedrag niet terug. Volgens de wet komt het alleen bij een schikking terug, en soms bij het intrekken van het verzoek. Dan gaat het om het hele bedrag of om de helft (artikel 7a lid 4 en artikel 7 lid 6 Uhw). Volgens het legesbeleid van de Huurcommissie gold de teruggave bij een schikking alleen als de Huurcommissie had bemiddeld, en die bemiddeling biedt zij niet meer aan. In plaats van naar de Huurcommissie kan een partij ook naar de kantonrechter. Het is het een of het ander (artikel 8 lid 1).
Ja, zodra de Wet toekomstbestendige huurcommissie ingaat. Vertegenwoordigt een huurdersorganisatie de huurders van een wooncomplex, dan krijgt zij vanaf dat moment elk jaar het overzicht van de servicekosten van dat complex, op hetzelfde moment als de huurders (nieuw artikel 3 lid 5 Overlegwet). Volgens de Rijksoverheid gaat die wet op 1 januari 2027 in. Een koninklijk besluit legt die datum vast, en dat besluit was op 16 oktober 2026 nog niet verschenen.
Voor huurdersorganisaties en verhuurders
Huurdersorganisaties en bewonerscommissies vragen de mening van hun achterban met LEX Participatie voor huurdersorganisaties. Bewoners doen mee via een QR-code op een poster, zonder app of account, bijvoorbeeld met een peiling over een adviesaanvraag. Het bestuur bereidt het advies voor in LEX Verweer.
Verhuurders zetten de stukken van een adviesaanvraag in LEX Dossiers, zodat de datums van de procedure naast de stukken staan. Houdt uw organisatie een spreekuur voor huurders, dan kunt u LEX Adviesbalie gebruiken voor huuradvies op het spreekuur.
Deze pagina is algemene informatie en geen juridisch advies. Kijk voor uw eigen situatie ook in de statuten en de samenwerkingsovereenkomst. Bijgewerkt: 16 oktober 2026.
Bronnen
- Wet op het overleg huurders verhuurder, artikelen 1 tot en met 8a
- Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, artikelen 4a, 7, 7a, 19a, 20 en 37
- Besluit huurprijzen woonruimte, artikel 4
- Woningwet, artikelen 44 en 53
- Burgerlijk Wetboek Boek 7, artikelen 220 en 259
- Wet modernisering servicekosten, Staatsblad 2025, 156
- inwerkingtreding, Staatsblad 2026, 82
- Wet toekomstbestendige huurcommissie, Staatsblad 2026, 311
- Rijksoverheid, bericht van 29 september 2026
- amendement Beckerman en De Hoop, Kamerstukken II 2025/26, 36 791, nr. 16
- begroting VRO 2027, Kamerstukken II 2026/27, 37 020 XXII, nr. 2
- Huurcommissie, Beleidsboek Wet overleg huurders en verhuurder, hoofdstukken 2 tot en met 5
- Huurcommissie, Beleidsboek leges
- Rechtbank Noord-Holland 26 augustus 2020
- Rechtbank Amsterdam 16 december 2025